Ismael en het eerstgeboorterecht

De vraag die we willen stellen is, had Ismael recht op het eerstgeboorte-recht?

Gen 11: 26 Toen Terach zeventig jaar geleefd had, verwekte hij Abram, Nachor en Haran.

Gen 11: 27 En dit zijn de nakomelingen van Terach: Terach verwekte Abram, Nachor en Haran, en Haran verwekte Lot.

Gen 11: 28 En Haran stierf bij het leven van zijn vader Terach in zijn geboorteland, in Ur der Chaldeeen.

Gen 11: 29 En Abram en Nachor namen zich vrouwen; de naam van Abrams vrouw was Sarai, en de naam van Nachors vrouw was Milka, de dochter van Haran, de vader van Milka en Jiska.

Gen 11: 30 Sarai nu was onvruchtbaar; zij had geen kinderen.

Vanuit deze passage leren we.

  • Abram nam zich een vrouw.
  • De naam van deze vrouw was Sarai.
  • Deze vrouw was onvruchtbaar.

Het Hebeeuwse woord voor vrouw in deze passage: 0802 hishshah

1) vrouw, echtgenote, vrouwelijk, wijfje
1a) vrouw (tegenover man)
1b) echtgenote (gehuwd met een man of echtgenoot)
1c) wijfje (van dieren)
1d) elk, ieder, vnw

Gen 12: 4 Toen ging Abram, zoals de Here tot hem gesproken had, en Lot ging met hem; en Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran trok.

Gen 12: 5 Abram nu nam zijn vrouw Sarai en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de lieden, die zij in Haran verkregen hadden, en zij trokken uit om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanaan.

Gen 12: 6 En Abram trok het land door tot de plek bij Sichem, tot de terebint More; en de Kanaanieten waren toen in het land.

In deze passage word ook gesproken, met hetzelfde Hebreeuwse woord voor vrouw, over Sarai, als de vrouw van Abram. (Zie ook vers 11- 16)

Gen 12: 17 Maar de Here sloeg Farao met zware plagen, evenals zijn huis, ter oorzake van Sarai, de vrouw van Abram.

Gen 12: 18 Toen riep Farao Abram en zeide: Wat hebt gij mij daar aangedaan? Waarom hebt gij mij niet meegedeeld, dat zij uw vrouw is?

Gen 12: 19 Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster, zodat ik haar mij tot vrouw genomen heb? En nu, ziehier uw vrouw, neem haar en ga heen.

Gen 12: 20 En Farao gaf enige mannen omtrent hem opdracht, en zij deden hem, zijn vrouw en al wat hij bezat, uitgeleide.

Als we naar deze passage kijken zien we dat, in relatie tot Farao in zijn relatie met Sarai hetzelfde woord gebruikt word als het woord "vrouw" wat in relatie tot Abram gebruikt word.

Dit is interessant, omdat dit laat zien dat het woord voor "vrouw" breder word gebruikt dan om iemands wettige vrouw aan te duiden.

Gen 16: 1 Sarai nu, de vrouw van Abram, schonk hem geen kinderen, en zij had een Egyptische slavin, wier naam was Hagar.

Gen 16: 2 En Sarai zeide tot Abram: Zie toch, de Here heeft mij niet vergund te baren; ga toch tot mijn slavin; misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram luisterde naar Sarai.

Gen 16: 3 En Sarai, de vrouw van Abram, nam Hagar, de Egyptische, haar slavin, nadat Abram tien jaar in het land Kanaan gewoond had, en gaf haar aan haar man Abram tot vrouw.

Gen 16: 4 En hij ging tot Hagar en zij werd zwanger; toen zij zag, dat zij zwanger geworden was, was haar meesteres verachtelijk in haar ogen.

Gen 16: 5 Toen zeide Sarai tot Abram: De krenking mij aangedaan, komt voor uw rekening; ik heb mijn slavin in uw schoot gegeven, en nu zij ziet, dat zij zwanger geworden is, ben ik verachtelijk in haar ogen; de Here doe recht tussen mij en u.

In deze passage zien we dat Sarai de vrouw van Abraham genoemd wordt en haar haar woord de slavin van Sarai genoemd.

Het Hebreeuwse woord voor "vrouw" in deze passage: 0802 ishshah

1) vrouw, echtgenote, vrouwelijk, wijfje
1a) vrouw (tegenover man)
1b) echtgenote (gehuwd met een man of echtgenoot)
1c) wijfje (van dieren)
1d) elk, ieder, vnw

Vanuit deze beschrijving zien we dat hetzelfde Hebreeuwse woord wordt gebruikt als in voorgaande hoofdstukken, we hebben gezien dat het gebruikt woord om Abram's verbonds vrouw aan te duiden, maar ook als zij een nacht bij Farao is, en nu als Abram seksueel contact heeft met Hagar.

Wat wel een interessant gegeven is, in hoofdstuk 17 wordt Ismael wel als de zoon van Abraham genoemd. Hij wordt ook besneden, zoals alle Israëlieten later ook besneden zouden worden.

Ook wordt een hoofdstuk 17 duidelijk dat Ismael niet de zoon van belofte is, maar dat er nog een zoon geboren zou worden, uit Sarai, deze zou de zoon van het ware nageslacht worden.

Gen 20: 1 Abraham nu brak vandaar op naar het Zuiderland en vestigde zich tussen Kades en Sur, en vertoefde als vreemdeling in Gerar.

Gen 20: 2 Daar Abraham van zijn vrouw Sara gezegd had: Zij is mijn zuster, liet Abimelek, de koning van Gerar, Sara weghalen.

Gen 20: 3 Maar God kwam des nachts in een droom tot Abimelek en zeide tot hem: Zie, gij zijt een kind des doods, omdat gij die vrouw genomen hebt, want zij is gehuwd.

In deze passage zien we dat God zelf in een droom tot Abimelek komt en zegt dat Sarai een gehuwde vrouw is.

Die was haar wettige man? Dat was Abram.

Gen 21: 1 De Here bezocht Sara, zoals Hij gezegd had, en de Here deed aan Sara, zoals Hij gesproken had.

Gen 21: 2 En Sara werd zwanger, en zij baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, te bestemder tijd, waarvan God tot hem gesproken had.

Gen 21: 3 En Abraham noemde de zoon, die hem geboren was, die Sara hem gebaard had, Isaak.

Gen 21: 4 En Abraham besneed zijn zoon Isaak, toen hij acht dagen oud was, zoals God hem geboden had.

Gen 21: 5 Abraham nu was honderd jaar oud, toen hem zijn zoon Isaak geboren werd.

Gen 21: 6 En Sara zeide: God heeft gemaakt, dat ik lach; ieder die het hoort, zal om mijnentwil lachen.

Gen 21: 7 En zij zeide: Wie had aan Abraham durven toezeggen: Sara zoogt kinderen? Want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.

Gen 21: 8 En het kind groeide op en werd gespeend, en Abraham richtte een grote maaltijd aan op de dag dat Isaak gespeend werd.

Gen 21: 9 Toen zag Sara, dat de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, spotte,

Gen 21: 10 en zij zeide tot Abraham: Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Isaak.

Gen 21: 11 Dit nu mishaagde Abraham zeer ter wille van zijn zoon.

Gen 21: 12 Maar God zeide tot Abraham: Laat dit niet kwaad zijn in uw ogen, om de jongen en om uw slavin; in alles wat Sara tot u zegt, moet gij naar haar luisteren, want door Isaak zal men van uw nageslacht spreken.

Gen 21: 13 Maar ook de zoon der slavin zal Ik tot een volk stellen, omdat hij uw nakomeling is.

Gen 21: 14 De volgende morgen vroeg nam Abraham brood en een zak water, en gaf het aan Hagar, dat leggende op haar schouder, alsook het kind, en hij zond haar weg; daarop ging zij heen en dwaalde door de woestijn van Berseba.

In deze passage wordt ook duidelijk dat Hagar een slavin was.

Ook wordt in deze passage duidelijk dat Isaak degene is waarvan men van nageslacht zal spreken.

De zegen was voor Abraham en zijn nageslacht.

Voor wie was de ware zegen weggelegd?
Juist, deze was weggelegd voor Abram en het ware nageslacht.

Gen 12: 1 De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal;

Gen 12: 2 Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn.

Gen 12: 3 Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.

Deze zelfde zegen word gegeven aan Isaak en Jakob.

  • Gen. 26: 3- 5
  • Gen. 28: 13- 15

Copyright © 2019 Gert-Jan van Zanten · Webdesign by BinR
All Rights Reserved · webbijbel.nl
Hosted by VDX

 

Naar boven